Binding van dioxine aan receptor onderdrukt onstaan voedselallergie

07-03-2013 \\ Innofood nieuws

 

Binding van een minieme, niet-toxische hoeveelheid dioxine aan de aryl hydrocarbon receptor (AhR) (wat resulteert in activatie van de AhR) onderdrukt ontstaan van voedselallergie onderdrukt. Dat blijkt uit onderzoek van Veronica Schulz, die donderdag 7 maart aan de Univeristeit Utrecht hoopt te promoveren. De onderzoeksresultaten van Schulz dragen bij aan de ontwikkeling van preventiemethoden en therapieën voor voedselallergieën.

De aryl hydrocarbon receptor (AhR), ook wel bekend als de dioxine-receptor, is een eiwit dat een belangrijke rol speelt in het ontgiften van veel stoffen, maar ook in het functioneren van het immuunsysteem. Schulz onderzocht of een voedselallergie kan worden voorkomen en genezen door de AhR te activeren met bepaalde stoffen, waaronder dioxine.

Bij mensen met een voedselallergie reageert het immuunsysteem op ongevaarlijke eiwitten in ons voedsel en maakt het antistoffen hiertegen. Dit leidt tot een ongewenste allergische reactie, die kan variëren van jeuk en uitslag tot een shock met mogelijk een dodelijke afloop. Vermijding van het betreffende eiwit en bestrijding van de symptomen zijn momenteel de enige remedies voor mensen met een voedselallergie.

Veronica Schulz ontdekte dat binding van een minieme, niet-toxische hoeveelheid dioxine aan de AhR (wat resulteert in activatie van de AhR) inderdaad het ontstaan van voedselallergie onderdrukt. AhR-activatie beïnvloedt namelijk de werking van verscheidene cellen van het immuunsysteem die een rol spelen in het onderdrukken van voedselallergie.

Overigens blijkt niet elke stof die aan de AhR kan binden geschikt om het ontstaan van voedselallergie te onderdrukken. Veel stoffen worden namelijk te snel afgebroken door het lichaam, waardoor er niet voldoende AhR-activatie kan plaatsvinden.

Via AhR-activatie zou een specifieke therapie voor voedselallergie (immunotherapie) kunnen worden verbeterd, zo beschrijft de promovenda. Voorwaarde is wel dat het risico op ongewenste (toxische) bijwerkingen beperkt wordt. Toekomstig onderzoek zal uit moeten wijzen welke stoffen hiervoor geschikt zijn.

Bron: Univeristeit Utrecht